Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT2845

Datum uitspraak2005-03-25
Datum gepubliceerd2005-03-30
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 522/03 Inkomstenbelasting
Statusgepubliceerd


Indicatie

Te dezen is in geschil gebleven het antwoord op de vraag of de afschrijving op het pand door belanghebbende tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen, dan wel of de afschrijving die door de inspecteur is toegepast juist is.


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: BK 522/03 25 maart 2005 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001. 1. Ontstaan en loop van het geding Belanghebbende werd voor het jaar 2001 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 2001, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van € 134.084,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.652,--. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 6 juni 2003 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 131.658,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.652,--. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 19 juni 2003 is ingekomen. Nadat de inspecteur haar verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 10 februari 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende, zomede de inspecteur. Ter voormelde zitting heeft de inspecteur een cijfermatige uitwerking van de standpunten van partijen overgelegd. Partijen hebben desgevraagd eenparig verklaard het eens te zijn over deze cijfermatige uitwerking van het geschil. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten. Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast: 2.1 Belanghebbende, geboren .. juni 19.., heeft in 1999 een kantoorpand laten bouwen aan de a-straat 7 te L (nader: het pand). 2.2 Het pand bestaat uit vier lagen, waarvan de benedenste twee lagen zijn verhuurd aan Accountantskantoor A B.V. (nader: A) en de beide andere lagen aan een tweetal derden. 2.3 De huurovereenkomst met A is op 1 augustus 1999 aangegaan voor de duur van 10 jaar en 2 maanden met een verlenging van vijf jaar, waarna de overeenkomst vervolgens steeds voor periodes van vijf jaar wordt voortgezet. De huurprijs voor het door A gehuurde bedroeg f.117.750,-- per jaar met jaarlijkse aanpassingen. Op 1 januari 2001 bedroeg de huurpijs f. 120.458,28 op jaarbasis. Voorts is bij de overeenkomst bepaald dat A de kosten van het gehele onderhoud, binnen en buiten, en de op de onroerende zaak berustende belastingen, rechten en andere kosten zal dragen. A heeft in 1999 voor in totaal f. 353.889,-- investeringen in het pand gedaan. A heeft het eerste recht van koop. 2.4 Belanghebbende had in 2001 een 100% indirect aanmerkelijk belang in A. 2.5 Bij minnelijke schikking is de waarde van het aan A verhuurde gedeelte van het pand per 1 januari 2001 vastgesteld op f.1.360.000,--. 2.6 In verband met belanghebbendes geplande pensionering op 60-jarige leeftijd heeft hij een deel van zijn aandelen in A verkocht met de verplichting de resterende aandelen uiterlijk per 1 januari 2006 over te dragen. 2.7 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur, naast enige thans niet in geschil zijnde correcties, in afwijking van belanghebbendes aangifte, de afschrijving bepaald op 3% per jaar, rekening houdend met de grondwaarde en een restwaarde van 25% van het gebouw. Dientengevolge heeft de inspecteur ter zake van de afschrijving een bedrag van € 6.426,-- bij het belastbare inkomen uit werk en woning geteld. 2.8 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd. 2.9 Ter zake van het in de bezwaarfase eveneens bestaande geschil omtrent de aftrek van hypotheekrente heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat zij de aanslag op dit punt ambtshalve zou herzien. 3. Het geschil. Te dezen is in geschil gebleven het antwoord op de vraag of de afschrijving op het pand door belanghebbende tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen, dan wel of de afschrijving die door de inspecteur is toegepast juist is. 4. Het standpunt van belanghebbende. Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting: 4.1 Gelet op de voorgenomen pensionering in 2006 dient vanaf het jaar 2001 rekening te worden gehouden met een resterende gebruiksduur van 5 jaar. 4.2 In verband met gebleken grote risico’s op inbraak en gelet op de omstandigheid dat het belendende pand ongeveer 4 jaar onverhuurd is gebleven, moet over 5 jaar rekening worden gehouden met een waardedaling van f. 200.000,--. Bij de aangifte is derhalve niet een te hoog bedrag aan afschrijving in aanmerking genomen. 5. Het standpunt van de inspecteur. De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting: Primair: De afschrijving moet worden bepaald aan de hand van de aanschafwaarde, de gebruiksduur van het pand, dat wil zeggen de geschatte technische en economische levensduur, en de restwaarde. Bij de aanslagregeling is de afschrijving met inachtneming hiervan bepaald en derhalve niet op een te laag bedrag vastgesteld. Subsidiair: Ingeval de gebruiksduur moet worden bepaald aan de hand van de voornemens van de belastingplichtige is een afschrijvingsperiode van vijf jaar onwaarschijnlijk kort. Voorts is een waardevermindering van f. 200.000,-- niet waarschijnlijk. 6. De overwegingen omtrent het geschil. 6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 3.92 van de Wet, gelezen in samenhang met artikel 3.90 en 3.95, wordt tot het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden mede gerekend het rendabel maken van vermogensbestanddelen door deze tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Daarbij zijn de in artikel 3.30 vervatte regelen met betrekking tot afschrijving van toepassing verklaard. 6.2 Bij de bepaling van de jaarlijkse afschrijving dient alsdan, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan te dezen niet is gebleken, te worden uitgegaan van de aanschafwaarde van het vermogensbestanddeel, de technische en economische levensduur en de restwaarde, zoals deze zich redelijkerwijs bij de aanvang van de ter beschikkingstelling laten inschatten. 6.3 Gelet op de bepalingen van de huurovereenkomst die tussen belanghebbende en A is gesloten, zoals vermeld onder 2.3, is een technische en economische levensduur van vijf jaren, zoals door belanghebbende in aanmerking is genomen, niet een juiste grondslag voor de bepaling van de jaarlijkse afschrijving. 6.4 De inspecteur gaat uit van een levensduur van 33 jaar, hetwelk door belanghebbende als uitgangspunt voor de bepaling van de afschrijving, behoudens zijn standpunt met betrekking tot de relevantie van zijn voornemen om op 60-jarige leeftijd met pensioen te gaan, niet is bestreden. Een dergelijke technische en economische levensduur komt het hof niet onwaarschijnlijk voor. 6.5 Belanghebbendes gevoelen met betrekking tot een waardedaling van het pand in vijf jaar met f. 200.000,-- als gevolg van inbraakgevoeligheid vormt geen bijzondere omstandigheid die (tussentijdse) aanpassing van de jaarlijkse afschrijving rechtvaardigt. 6.6 Nu de afschrijvingsgrondslag overigens niet in geschil is, moet het standpunt van de inspecteur als juist worden aanvaard, voor welk geval, naar tussen partijen niet in geschil is en waarvan de onjuistheid het hof niet is gebleken, het belastbaar inkomen uit werk en woning (na verwerking van de betaalde aanslag inzake WAZ-premie) moet worden bepaald op € 120.609,-- en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 15.728,--. 6.7 De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd en de aanslag in bovenstaande zin te worden verminderd. 6.8 Nu van proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht niet is gebleken vindt het hof geen aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 6. De beslissing. Het hof verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de inspecteur; vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.609,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.728,--; gelast dat het betaalde griffierecht ad € 31,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de Staat der Nederlanden; Gedaan op 25 maart 2005 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer als voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. G.M. Van der Meer, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier. Op 30 maart 2005 afschrift aangetekend aan partijen verzonden